De eerste NMVB busdiensten

De lijn Namur-Perwez kwam in 1927 in dienst. Bus 218 wacht z'n vertrek af voor het Naamse station.

In het jaarverslag van de Buurtspoorwegen uit 1924 klaagt de maatschappij dat ze het voorbije dienstjaar meer en meer concurrentie ondervond van private busdiensten, vooral in de provincie Antwerpen. Ze krijgt bij de lokale besturen ook niet altijd de steun om deze diensten te laten verbieden. De maatschappij vestigt ook de aandacht dat veel gemeenten en steden bijdroegen tot de vorming van de kapitalen van de buurtlijnen, en dat ze door het toekennen van machtigingen aan busdiensten hun eigen belangen schade toebrengen.

Uiteindelijk worden in 1924 twee wetten goedgekeurd. Een hiervan - de wet van 11 augustus 1924 - geeft de NMVB een voorkeurrecht om busdiensten in te richten op trajecten die (deels) parallel lopen met een buurtlijn, of die twee buurtlijnen met elkaar verbinden.

Op aandringen van de NMVB richt de regering een gemengde commissie op, met afvaardiging uit de departementen van "Geldwezen, Spoorwegen, Landbouw en Openbare Werken", van de NMVB en de provincies. Op 19 mei 1925 gaat de commissie van start. Ze vergadert praktisch elke week om de talrijke dossiers te behandelen. Uiteindelijk blijkt het aantal diensten dat de NMVB zou moeten opvorderen zo aanzienlijk, dat het onmogelijk bleek om de staat, provincies en gemeenten te vragen om telkens in het kapitaal in te schrijven.

Twee exploitatievormen

Gelukkig had de wet van 11 augustus 1924 hier een oplossing voor gevonden. Er konden twee exploitatiemanieren toegepast worden: in eigen beheer en verpachting. In het eerste geval wordt een hoog kapitaal gevormd. Er moeten immers zelf bussen en gebouwen voorzien worden. Dit kan oplopen tot een paar honderdduizend frank. In het tweede geval zorgen pachtbedrijven zelf - tegen een vergoeding - voor materieel en personeel. Er is enkel kapitaal nodig voor de oprichtingskosten. Meestal ligt dit bedrag tussen 2000 en 6000 frank.

In het jaarverslag van 1925 vinden we 23 ontwerpen met hoog kapitaal en 88 met laag kapitaal terug.

In dat jaar gingen enkele diensten effectief van start. Het begon in oktober met de dienst Etterbeek (Jourdanplein)-Overijse, enkele dagen later gevolgd door de lijnen in de streek van Houffalize. Begin december kwam de lijn Spa-Malmedy in bedrijf. Dit waren lijnen met hoog kapitaal.

Lees meer over de oudste NMVB bussen. Dit betekent dat de Buurtspoorwegen ook eigen bussen moesten aanschaffen. Net als bij de private uitbaters waren de eerste bussen op een vrachtwagenchassis opgebouwd. De eerste dertien bussen kwamen er in 1925 en 1926. Vier constructeurs en twee carrosseriebouwers leverden de eerste bussen. De chassisbouwers waren Auto-Traction (Antwerpen), Bovy-Pipe (Brussel), de Franse dochter van het Zwiterse Saurer en het Franse Scemia. Auto-Traction was een dochterfirma van Minerva en Bovy-Pipe was een van de bekendere Belgische vrachtwagenconstructeurs.

De koetswerken werden opgebouwd door Franco-Belgie en Energie. Deze leverden reeds spoorvoertuigen, maar zochten daarnaast naar nieuwe inkomsten. Deze eerste bussen deden soms eerder denken aan omgebouwde vrachtwagens.

Eerste verpachte diensten

De eerste verpachte lijnen kwamen er pas in 1927, met de "lijnen van de kust". Veel pachtbedrijven verdwenen mettertijd, maar enkele van deze pioniers bestaan nu nog altijd. Zo startte Adolphe Lebon - "Autobus de Genval" - uit Genval in 1928 als pachter van de lijn Elsene-Genval. Nog in hetzelfde jaar werd Achille Devlesaver - "Pullman Bus" - uit Chaumont-Gistoux aangenomen als pachter van de lijn Perwez-Wavre-Overijse.

Een voorbeeld van een verpachte dienst waren de lijnen in de regio Brussel-Alsemberg-Eigenbrakel. Hierop reden bussen van de firma Transport Régionaux Automobiles uit Ukkel. Deze B.401 is een Brossel/Bostovo. In 1947 zou de NMVB het wagenpark van de TRA overnemen.

TRA

Over de jaren zou het lijnennet een snelle uitbreiding kennen, waarbij er meestal voor verpachting gekozen werd. Het ging in dat geval meestal om lijnen waarvan de machtiging van de private uitbater naar de NMVB overging, maar waar de Maatschappij de vroegere uitbater nu als Bekijk een lijst met NMVB pachters uit 1937. « overnemer » aanstelde. Tot 1931 moest dit per Koninklijk Besluit gebeuren, nadien was een beslissing van de Beheerraad voldoende.

In 1939 baat de NMVB al 161 lijnen uit, die samen 279 km omvatten. 35 lijnen exploiteert ze zelf, terwijl 126 lijnen verpacht worden.

Terug naar boven