Het einde van de private busdiensten

Een kaartje met private busdiensten in Vlaanderen anno 1950.

In de jaren 1920 ontstonden de meeste buslijnen op initiatief van privé ondernemers. Deze hingen voor hun vergunningen af van de overheid (gemeente, provincie of staat).

Naderhand kwamen de Buurtspoorwegen en de NMBS zich hierin mengen. Op grond van hun voorkeurrecht eisten ze lijnen en vergunningen op. Dit gebeurde meestal wanneer de oorspronkelijke vergunning verliep. De vroegere uitbater werd in veel gevallen als “pachter” aangesteld.

Tegen 1945 waren zo al ’n pak vergunningen verdeeld over de twee nationale vervoermaatschappijen. Maar hier en daar bleven uitbaters hun lijnen zelf uitbaten, en moesten ze enkel rekenschap geven aan de overheid. Dit betekende ook dat ze meestal zelf instonden voor eventuele verliezen. Soms pasten gemeenten de deficitaire situatie aan, ook al omdat een buslijn soms de enige vorm van openbaar vervoer in de gemeente was.

In de nationale dienstregeling kregen deze lijnen eerst nummers in de 1000-reeks, vanaf 1953 werden ze in de 1200-reeks genummerd. Het waren meestal kleine lijnen, zoals Eeklo-Watervliet of Ciney-Bonsin, met maar enkele ritten per dag.

Maar ook lijnen die vanuit Nederland ons land binnenkwamen, werden als « privaat » bestempeld. De EMA bood vanuit Eindhoven lijnen aan richting Lommel, Neerpelt en Hamont; de BBA de lijn Essen-Nispen-Roosendaal, de SBM had haar lijn Brugge-Maldegem-Breskens en de EBAD de lijn Maaseik-Sittard.

In de late jaren 1960 werd de situatie voor veel uitbaters onhoudbaar. Daarom werd beslist om de lijnen per 1 januari 1971 aan de Buurtspoorwegen of de NMBS over te dragen. Dit was het geval voor een kleine dertig lijnen.

De buitenlandse lijnen werden hierin niet betrokken. Met de komst van de Europese Gemeenschap en haar regelgeving kregen deze een apart statuut.

Ook de lijnen die door de STIL uitgebaat werden richting Hoei (9), Péry en Trooz (31-34) bleven hun eigen karakter behouden.

Terug naar boven