Railways Electriques de Liège - Seraing et Extensions

De « Railways Electriques de Liège - Seraing et Extensions » werden op 21 juli 1881 opgericht en waren hiermee één van de oudste vervoersbedrijven van ons land. Het was een van de bedrijven binnen de Empain groep, en had tot doel de tramconcessie Luik-Jemeppe uit te baten.

De RELSE was door haar statuten ook gemachtigd om elders in België of het buitenland andere lijnen in concessie te nemen. Dit zou later gebeuren: de RELSE bouwden de tram uit aan de kust, Gent en Charleroi en gaven de exploitatie in handen van dochtermaatschappijen (zoals de ETG en de TEPCE).

We moeten wachten tot mei 1882 vooraleer de eerste stoomtram gaat rijden op de lijn Luik-Jemeppe. In 1900 wordt de elektrische tractie ingevoerd op het net overgenomen baanvak Pont de Seraing - Quartier de Lize. De concessie van dit baanvak was in datzelfde jaar overgenomen van de "Tramways Sérésiens".

Het logo van de RELSE zoals het op haar wagenpark voorkwam.

Alle bestaande concessies worden tevens in één nieuwe concessie gegoten, die loopt tot 25 september 1960.

Omdat het trampark zich verder uitbreidde, werd ook een nieuwe stelplaats opgericht te Jemeppe. Deze wordt overigens nu nog altijd door de TEC Luik-Verviers gebruikt. De trams met de typische groene kleur krijgen vanaf dan ook hun bijnaam van « Les Trams Verts ». In de daaropvolgende jaren breidt het tramnet zich nog verder uit (Flémalle-Haute, Biens Communaux).

De eerste bussen bij de RELSE

De eerste bussen werden in 1930 door de RELSE in dienst genomen; ze reden op de verbinding tussen het station van Ougrée en de tramlijn Luik-Flémalle. Hiervoor komen drie bussen van het merk Bedford in dienst die de nummers 11 tot 13 krijgen. In mei 1940 wordt deze lijn stopgezet, in 1941 neemt de tram het baanvak over.

De RELSE, die de tram tussen het centrum van Seraing en La Troque wil uitbreiden, stuit op weerwerk van de Nord Belge. Aangezien het conflict muurvast zit en de RELSE geen brood ziet in de uitbating van een "kleine tramlijn", zoekt ze naar alternatieven om de sectie tussen Troque en de kristalfabrieken te bedienen. Naast een nieuwe busdienst tussen Luik, Seraing en Ivoz-Ramet start de RELSE op 1 maart 1931 ook met een aanvullende busdienst tussen La Troque et Villencourt.

In 1932 richten de RELSE een directe lijn in tussen Luik en Seraing. Om de tram niet voor de voeten te lopen wordt tot Ougrée de rechteroever van de Maas gevolgd, waarna de rest van de lijn de linkeroever benut. De lijn wordt in 1939 tijdelijk stopgezet, om pas in 1946 terug te keren. Ze wordt dan ook via Engihoul tot Hoei verlengd. Op dit baanvak was de RELSE pachter van de Buurtspoorwegen.

Op de terreinen van de stelplaats Jemeppe poseert deze Minerva - bus nr. 19 - voor de fotograaf. © coll. P. Delizée.

Ook nog in 1932 wordt een lijn ingevoerd tussen Seraing en Rotheux, deze wordt van de NMVB gepacht. Om dit alles uit te baten worden vier bussen bij Minerva (16-19) en drie Renaults (25-28) aangekocht.

De RELSE en de trolleybus

De gemengde exploitatie tram/bus tussen Seraing, Troque en Val St. Lambert was slechts van tijdelijke aard. Men begint immers sterk te denken aan een trolleybuslijn tussen Seraing (Banque) en Ivoz-Ramet, iets wat door een K.B. van maart 1932 een wettelijk kader kreeg. De pendeltram hield op te rijden op 17 maart 1936; in de plaats kwamen drie bussen te rijden, tot de trolleybussen de dienst konden overnemen.

Ook voor het baanvak tussen Banque en de wijk van La Chatqueue werd aan de trolleybus gedacht. In oktober 1935 verkreeg de RELSE de machtiging om hier een nieuwe lijn te openen. Vanaf 15 mei 1936 rijden de eerste trolleybussen uit. Maar door het intensieve treinverkeer op de Nord Belge-lijn wordt de dienst sterk verstoord; de sluiting van een overweg noopt de RELSE de terminus net voor deze overweg in te richten, en dit in een nauwe straat zonder enige keermogelijkheid.

De RELSE vonden al vlug een oplossing. Ze bestellen immers een uniek bustype bij de fabrieken van Brossel en de carrosseriebouwer Paul D’heure. De zes bussen beschikken over een stuurcabine aan de voor- én achterkant van de bus. Na het omkeren van de trolleystangen is de bus klaar om in de tegenovergestelde richting te vertrekken.

Trolleybus 402 te Seraing.

De eerste vier bussen (401-404) hebben drie assen, waarbij de motor zich in het midden van de bus bevindt. Ze beschikten ook over twee units trolleystangen en een reservebatterij die gebruikt kon worden om autonoom korte afstanden mee te overbruggen (dit om spoorwegovergangen te kruisen). Ze werden ingezet op de lijn naar Ivoz-Ramet.

De Zazou - de bijnaam die men gaf aan deze bussen omdat ze een typisch zoemend geluid voortbrachten - vormden de tweede reeks (501-502). Het gaat hier om bidirectionele twee-assige trolleys die slechts één set stangen hebben, die dus gedraaid kunnen worden. Het gebruik van de ene of andere stuurpost bepaalde dus de rijrichting van deze busjes. Deze reden op de lijn naar La Chatqueue.

Trolleybus 501 nabij de stelplaats. Collectie Godeaux.

Nieuwe uitbreidingen

Eens de trolleybuslijnen goed ingeburgerd en als een echt alternatief voor de tram bekend waren, zocht de RELSE naar nieuwe uitbreidingen van haar net. Er werd ondermeer gedacht aan een pendeldienst tussen het station van Ougrée en de tram Luik-Jemeppe (die er uiteindelijk in 1941 als trambediening zou komen), en de bediening van de wijken Bergerie en Lize vanuit het eindpunt te Val St. Lambert.

Nog voor de effectieve ingebruikname van de trolleylijn tussen Seraing en Ivoz-Ramet, dienden de RELSE een aanvraag in om diezelfde vanaf van Ramet te verlengen tot de overweg van Engis (linkeroever van de Maas) via de stuw van Ivoz, Flémalle-Haute en Chokier. Dit wordt via een KB van 26 maart 1938 goedgekeurd. Op 7 juli van hetzelfde jaar vervangen de trolleys de bussen tussen Seraing en Ivoz-Ramet.

Tevens krijgt de maatschappij de concessie om een lijn Ivoz-Ramet - pont d’Engis (rechteroever van de Maas) via Ramioul uit te baten (K.B. dd 15 mei 1939). Deze lijn wordt vanaf eind mei 1939 voorlopig met bussen uitgebaat, door de Tweede Wereldoorlog zou deze situatie definitief worden. De sectie Ivoz-Ramet - Ramioul - pont d’Engis zou in 1947 in de buslijn Luik-Hoei opgenomen worden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog

Het Luikse openbaar vervoer wordt in de ochtend van zaterdag 11 mei 1940 stilgelegd. Het buspark wordt door de bezetter opgevorderd. Geen enkele bus zou terug in Seraing verschijnen.

De trolleybussen reden pas terug uit op 20 mei; dit op de lijnen naar La Chatqueue en Ivoz-Ramet. Door de vernietiging van de brug te Seraing is er echter geen verbinding meer met de stelplaats van Jemeppe. Daarom, en door de relatieve nabijheid van de tramlijn, wordt in 1941 de lijn naar La Chatqueue stopgezet.

De laatste tramuitbreiding komt er in 1941. Ze takt van de hoofdlijn af te Sclessin en loopt tot aan het station van Ougrée waardoor de busverbinding opgeheven kan worden. Ook kan de RELSE op 5 januari 1942 de trolleyuitbreiding Flémalle-Haute - Engis inhuldigen. Deze lijn blijft echter geïsoleerd van de rest van het net door de vernietiging van de brug van Ivoz-Ramet. De bussen kunnen uit de stelplaats van Jemeppe toch bij hun startpunt raken door de bovenleiding van de tram en hun batterij te gebruiken.

Naast de twee bussen die van de Chatqueue-lijn kwamen, werden ook twee trolleybussen ingezet die in 1942 door de RELSE van de buurtspoorwegen overgenomen worden. Het gaat om twee trolleys van het merk Guy Motors Ltd. Op 5 januari 1943 wordt de lijn nogmaals verlengd, ditmaal vanuit Engis tot Mallieu.

De bevrijding van Luik, de schaarste aan banden, de rantsoenering van elektriciteit en de konvooien van de geallieerden naar Duitsland zouden de dienst sterk verstoren tot in oktober 1945.

De na-oorlogse periode

Na de oorlog wordt het buspark terug opgebouwd, eerst met bussen die men her en der op de kop kon tikken.

In 1947 wordt een reeks van zes Brossels met een koetswerk Paul d’Heure aangekocht (reeks 31-36); kort daarna volgen zes bussen van het merk Hercules (reeks 41-46).

De RELSE 70 is één van de Brossel A88 DLM die in de jaren vijftig aangekocht werden. Het is hier wel duidelijk dat de RELSE ook pachter van de NMVB waren.

In de jaren vijftig bestelt de buspoot van de Empain-groep verschillende reeksen Brossel A88 DLM reeksen. Naast Gent en Charleroi komen er dus ook bij de RELSE terecht. Een eerste reeks van drie stuks stroomt in 1952 in. De opbouw wordt door Jonckheere verzorgd. Tot 1959 volgden nog enkele kleine reeksen van dit type. Omdat er veelvuldig geruild werd tussen de drie steden, zitten we in de knoei met de precieze nummering, chassisnummers en koetswerken. Naast Jonckheere werden er ook koetswerken besteld bij Van Hool en Bostovo.

Vanaf bus 76 zien we dat een nieuw type carrosserie zijn intrede doet. Het geheel doet ruimer en luchtiger aan door de brede en afgeronde voorruit en de grotere raampartijen. Achteraan is een dubbele uitstapdeur voorzien.

Chauffeur en controleur poseren naast de 701 op de stuw over de Maas te Ivoz (1955, coll. J. Evrard).

In 1947 neemt de RELSE van de Tramways Bruxellois de trolleybussen 6023 en 6024 over, die als 701-702 hernummerd worden.

Vanaf maart 1948 wordt er weer een doorgaande dienst geboden tussen Seraing, Ivoz, Flémalle-Haute en Engis (Mallieu). De lijn zou in deze vorm blijven bestaan tot 1963. In 1951 worden de twee oude buurtspoorwegtrolleys (601-602) uit dienst gehaald.

Het netwerk van de RELSE bestond in 1959 uit de volgende lijnen :
• drie tramlijnen die uit Luik vertrokken en uitwaaierden naar Jemeppe en Flémalle-Haute, naar Seraing en naar Ougrée
• een trolleybuslijn Seraing - La Mallieue
• acht buslijnen waarvan de lijn tussen Luik en Hoei verreweg het belangrijkst was. Daarnaast waren er zes lijnen die vanuit Seraing richting Rotheux, Saint-Georges, Chatqueue, Mons-lez-Liège, Montegnée en Engis vertrokken. Een laatste lijn bestond tussen Flémalle Haute en Trixhes. Enkele van deze lijnen werden gepacht van de NMVB.

Van RELSE, over STILS naar STIL

Op 25 september 1960 vervallen de concessies van de RELSE, deze worden niet vernieuwd. Om deze lacune op te vangen (er werd toen reeds gesproken om de diverse bedrijven in Luik samen te smelten) werd een tijdelijk bedrijf opgericht (K.B. van 28 augustus 1961). Dit heette de "Société des Transports Intercommunaux de Liège-Seraing", kortweg STILS. Deze maatschappij nam met terugwerkende kracht alle activiteiten van de RELSE over per 26 september 1960.

In maart 1964 werd het nieuwe eengemaakte bedrijf opgericht: de STILS fuseerde samen met de STIAL (de opvolger van de TULE) om samen de STIL te vormen.

Na de vorming van het voorlopig beheersorgaan (STILS) kocht deze maatschappij in 1963 tien nieuwe bussen aan op het Brossel A99 DARVM chassis met een koetswerk door Van Hool. Het type carrosserie dat hier gebouwd werd zou blijven doorleven doorheen de jaren zestig in Luik. Het typische kenmerk is de geknikte voorruit die we bij de Cityliner zagen. Naast de uitstapdeur wordt nu ook de instapdeur dubbel uitgevoerd. Met deze nieuwe bussen konden de twee oudste reeksen afgevoerd worden. Daarnaast dienden ze ook als vervanging voor de trolleybussen.

In 1964 gingen de nog aanwezige bussen over naar de nieuw gevormde STIL.

De RELSE bussen werden – net als de trams – steevast in een donkergroene basiskleur gesteld, waarbij de raampartijen en het dak in een crème kleur kwamen. Het merendeel van de bussen werd bij de STIL herschilderd in de typische grijze kleur, met onder de ramen een donkergroene band.

Bronnen:

  • Godeaux, J.-G., Evrard, J., Lambou, M., Stekke, R. (2001). Liège aux fils de trolleybus. Liège: Editions du G.T.F.
  • Peeters, J. (2009). Het openbaar vervoer in België 1945-1960. Beleid en realiteit. Bergen: Uitgaven TSP.
  • Peeters, J. (2014). Het openbaar vervoer in België 1960-1970. De sombere jaren Bergen: Uitgaven TSP.
  • eigen documentatie

Lees meer over:

Terug naar boven