De Tramways Electriques du Pays de Charleroi et Extensions

Nadat Charleroi tussen 1867 en 1871 de diverse vestingen rondom de stad afgebroken had vond ze het tijd om zich als hoofdstad van het Pays Noir te bevestigen. Grote lanen, parken en monumenten werden aangelegd. Ook een tramnet kon in dit plaatje niet ontbreken. Twee voorstellen om een trammaatschappij op te richten worden in 1877 en 1879 zonder verder gevolg ingediend.

Een paardentramlijn wordt in 1881 aangelegd tussen het station van Charleroi-Sud en de rue de l’Ecluse; ze is echter maar een kort leven beschoren.

In hetzelfde jaar verplaatst de Société des Chemins de fer Vicinaux Belges haar zetel van Brussel naar Charleroi. Ze verkrijgt een gunning om twee lijnen uit te baten: een lijn van Charleroi naar Gilly (1881) en van Charleroi naar Montignies-sur-Sambre (1882). De eerste lijn werd deels nog met paardentrams uitgebaat; de rest met stoomtrams. De trams worden door de bewoners van de Haute Ville met argusogen beken.

Kort nadien maken de Buurtspoorwegen hun intrede in Charleroi. Vanaf juni 1887 beginnen drie lijnen te rijden die Charleroi met Mont-sur-Marchienne, Montignies-le-Tilleul en Lodelinsart (via Jumet) verbinden. Tussen 1891 en 1895 volgen uitbreidingen naar Châtelet en Thuillies. Vanaf 1900 worden de lijnen ook geëlectrificeerd.

Het ontstaan van de TEPCE

Het logo van de TEPCE bevatte het wapenschild van de stad Charleroi.

tepce

De Société des Chemins de fer Vicinaux Belges dragen in 1903 de concessie van haar lijnen over aan de Portret van de RELSERELSE. De twee lijnen worden door deze maatschappij geëlectrificeerd en op meterspoor gebracht. De RELSE draagt in 1904 het beheer van het net over aan een nieuwe dochtermaatschappij: de TEPCE: Tramways Electriques du Pays de Charleroi et Extensions.

De trams krijgen – door hun kleur – al vlug de bijnaam “les trams verts”. Ook de Buurtspoorwegen vertrouwen de exploitatie van enkele van haar lijnen toe aan de TEPCE.

De Eerste Wereldoorlog brengt geen grote beschadiging van het net met zich mee; al vlug is het net hersteld en wordt het nog verder uitgebreid.

Vanaf 1923 zorgen de Buurtspoorwegen zelf voor de exploitatie van de aan de TEPCE verpachte lijnen. De twee maatschappijen rijden zelfs samen op het baanvak Charleroi-Sud naar Châtelineau. Net voor de Tweede Wereldoorlog bereikt het net van de TEPCE haar grootste omvang (67 km).

Deze niet zo goede foto toont een Brossel van de TEPCE. Wie weet meer over deze eerste bussen?

tepce

Vanaf 1932 verbindt een buslijn Charleroi met Dampremy (Place de la Broucheterre). Ondertussen hadden de Buurtspoorwegen ook al enkele busdiensten ingericht, o.a. tussen Marchienne-au-Pont en Jumet (Carrosse, sinds 1925), Marchienne en Gouy-lez-Piéton (1929) en Jumet-Courcelles (1929). De NMBS had ook een buslijn lopen tussen Charleroi Sud en Marchienne-au-Pont.

Doorblader de dienstregeling uit 1934

De dienstregeling van de eerste buslijn van de TEPCE uit 1934.

tepce

De gevolgen van de Tweede Wereldoorlog brengen belangrijke schade aan het net toe. Voertuigen, gebouwen, sporen en bruggen worden gebombardeerd. Na de oorlog wordt het net hersteld. Ook de buslijn naar Broucheterre begint vanaf 1947 terug te rijden.

De eerste nieuwe buslijnen

Een nieuwe buslijn wordt in 1952 ingereden tussen het kerkhof van Gilly, Montignies en Couillet. Twee jaar later volgt een lijn tussen Couillet en Châtelet, met een aftakking naar Loverval. In 1955 wordt de buslijn Charleroi-Broucheterre tot de wijk Alouette verlengd.

De bus werd als modern gezien, kon zich vlot in het verkeer integreren en was minder kostelijk in exploitatie dan een tram. Vanaf oktober 1958 wordt lijn 6 (Charleroi-Trieu Kaisin) gedeeltelijk met bussen uitgebaat. De laatste tram rijdt er uit op 30 juni 1959.

Iets daarvoor (april 1959) was een vierde nieuwe buslijn ingevoerd tussen Charleroi, Couillet en Acoz.

In de jaren vijftig bestelt de buspoot van de Empain-groep verschillende reeksen Brossel A88 DLM reeksen. Naast Gent en Charleroi komen er dus ook bij de RELSE terecht. Een eerste reeks van drie stuks stroomt in 1952 in. De opbouw wordt door Jonckheere verzorgd. Tot 1959 volgden nog enkele kleine reeksen van dit type. Naast Jonckheere werden er ook koetswerken besteld bij Van Hool en Bostovo.

In Charleroi vinden we de reeksen 31-32 (uit 1952/Jonckheere), 33-34 (uit 1955/Van Hool), 35-38 (uit 1957/Bostovo) en 39-42 terug. Deze 39-42 (Van Hool) begonnen hun leven in 1955 bij het Gentse zusterbedrijf ETG.

Op deze niet gedateerde foto zien we bus 36 naast een tram van de TEPCE in de Rue du Pont Neuf.

tepce

De concessie van de TEPCE liep ten einde in december 1961. Een nieuwe intercommunale nam begin 1962 het heft over : de STIC (Société des Transports Intercommunaux de Charleroi).

Bronnen:

  • Peeters, J. (2009). Het openbaar vervoer in België 1945-1960. Beleid en realiteit. Bergen: Uitgaven TSP.
  • Peeters, J. (2014). Het openbaar vervoer in België 1960-1970. De sombere jaren Bergen: Uitgaven TSP.
  • Eigen documentatie
Terug naar boven